Nog een ruime twee weken en dan beginnen de Olympische Winterspelen weer. Ik verheug mij er nu al op: schaatsen, skiën, snowboarden, rodelen en natuurlijk mijn favoriete sport: curling. Ook al heeft Nederland zich in die categorie jammergenoeg niet weten te plaatsen voor deelname in Milaan.
Ik heb grote bewondering voor onze sporters. Jarenlang trainen en nauwelijks een sociaal leven met dat ene doel. Waarvan het dan ook nog vaak de vraag is of je het wel haalt en zo niet, of het dan over vier jaar wèl lukt. Je lichaam pushen tot aan de grens en daar ver voorbij. Niet lekker een avondje doorhalen met je vrienden. Festiviteiten in je familie missen omdat je op trainingskamp bent. Altijd de onzekerheid of je sponsor je volgend jaar ook weer wil ondersteunen.
Maar goed, stel dat het allemaal lukt. Je overleeft het traject zonder noemenswaardige blessures. Je vrienden heb je beloofd dat na de Spelen het er echt een keer van gaat komen en je familie plant de festiviteiten rondom jouw trainingsschema. De sponsor is tevreden. Je hebt de goeie benen en op het moment suprême ben je drieduizendste van een seconde sneller dan je grootste opponent.
Je kunt het zelf bijna niet geloven. De blijdschap is onbeschrijfelijk en de vreugdetranen vloeien. Je krijgt een Nederlandse vlag toegeworpen en je maakt een ererondje met een hart dat van blijdschap bijna uit elkaar knalt. Je wordt naar het erepodium begeleid. Het stadion gaat uit zijn dak, in elk geval het deel dat zich in het oranje heeft uitgedost. Een hotemetoot hangt je medaille om en je krijgt bloemen, een speelgoedknuffel of een miezerig doosje chocola.
Dan schaam ik me toch een beetje voor je
En dan het grote moment: ‘All rise for the national anthem of The Netherlands’. De plechtige eerste tonen van het Wilhelmus klinken terwijl het rood-wit-blauw wordt gehesen en dan: niks. Je staat daar een beetje schaapachtig te kijken. Op z’n hoogst mummel je een beetje mee. En eerlijk, hoeveel bewondering ik ook voor je heb, dan schaam ik me toch een beetje voor je.
Wat is dat toch met die Nederlanders? Waar de Poolse Vladimir Semirunniy het volkslied bijna vanuit zijn tenen naar buiten schreeuwde toen hij op de WK afstanden de duizend meter voor mannen had gewonnen; en de Italiaanse ploeg shorttrack met de hand op het hart uit volle borst meezong, staan de Nederlandse sporters te kijken of ze zojuist een standje van de bondscoach hebben gekregen. In plaats van je blijheid, juist ook op dat podium, van de daken af te schreeuwen.
Daarom stel ik een nieuw onderdeel voor bij de training van topsporters: zingen. Stuur Ilse, Dinand, Willy, Suzan en Freek met hun stoelen naar Papendal en laat die pas draaien als er met passie wordt gezongen. Zodat heel de wereld kan zien: ook Nederlanders zijn hartstikke blij als ze een gouden medaille winnen!