Column: dum vivimus vivamus

Column: dum vivimus vivamus

“Koffie,” roept mijn vrouw uit de deuropening, “heb je al tijd voor een bakkie?” ”Ik maak dit stuk nog even af en dan ben ik hier klaar voor vandaag. Nog 5 minuutjes, schat ik, dan zit ook dit raamkozijn weer strak in de lak.” Op de radio zingt Gerard Cox vrolijk dat die mooie zomer weer voorbij is. Een echte dooddoener op dit moment: het regent zo hard dat zelfs mijn balkon is veranderd in een pierenbadje. Het is echt geen weer om naar buiten te gaan. Zo, klaar met verven voor vandaag. Nu alle verfspullen nog even netjes opruimen en dan is het weer tijd voor mijn boek.

Ik ben ‘Het veld’ van de Oostenrijkse schrijver Robert Seethaler aan het lezen. Ik heb dit boek gewonnen op Hebban.nl. Op die boekensite en lezerscommunity vind je veel boekennieuws en recensies. Regelmatig hebben ze voor hun leden ook een winactie. Echt een leuke verrassing als je een mailtje ontvangt met de mededeling dat je een van de winnaars bent en het boek gratis ontvangt.

Het veld is in de volksmond de benaming voor het kerkhof van Paulstadt, een fictief provinciestadje zoals er dertien in een dozijn gaan. Het gaat over gebeurtenissen in de levens van de overleden inwoners. Een boek over individuen, allemaal anders, maar ook met elkaar verbonden. In het eerste hoofdstuk zit iemand op een bankje op het kerkhof te mijmeren over de dood en de doden, pas in het laatste hoofdstuk ontdek je wie hij is. In de andere hoofdstukken praten 30 doden over hun leven.
Als dode over het leven praten? De schrijver laat inderdaad de doden aan het woord in zijn roman. Het voordeel is dat doden niets meer te verbergen hebben, de maskers kunnen afwerpen, de uiterlijke schijn laten voor wat hij is en vrijuit kunnen spreken. De levensgeschiedenissen van de doden lopen nogal door elkaar, en zoals wel te verwachten valt, was tijdens het verblijf op aarde niets menselijks hun vreemd: jaloezie, nijd, hebzucht. Al het fraais wat de mensheid te bieden heeft.

Ik mijmer weg. Hoe zou het zijn om een bericht te ontvangen van mijn moeder. Ik kan me zo weinig van haar herinneren. Heb ik die vervelende tijd uit mijn geheugen verdrongen of is het normaal dat ik dat niet meer weet? Zij is overleden toen ik twaalf was. Er schiet mij toch een mooie herinnering te binnen. Ik was een jaar of 8 en wij zaten aan tafel en ik keek naar de muur achter mij. ‘Gek, is dat, hier staan allerlei figuurtjes op het behang en aan de overkant niets.’ Deze opmerking was reden om in een sneltreinvaart bezoekjes af te leggen aan huisarts, oogarts en opticien. En toen kwam het moment dat ik samen met mijn moeder naar Gouda ging om de bril op te halen. Zijn we op de fiets gegaan of met de bus? Ik weet het niet. Wat me wel heel helder op het netvlies staat is het moment dat we naar buiten gingen en ik met de glazen met een sterkte van –3.5 op mijn neus de wereld opnieuw aanschouwde. Wat een helder licht, wat een rijke kleuren, wat een scherpe contouren. Echt een hele nieuwe wereld ging voor mij open. Veel meer kan ik me niet herinneren. Wel dat ze op het laatst op haar bed in de huiskamer lag. Als de huisarts kwam liep hij eerst naar het dressoir en haalde een snoepje uit een laatje. Over die periode heb ik nog wel wat herinneringen, maar die houd ik voor mezelf, die zijn te privé om te delen.
Wat zou mijn moeder aan mij schrijven als dat zou kunnen? Zou ze iets over zichzelf schrijven. Of zou ze laten weten of ze trots op mij is, of misschien juist wel teleurgesteld?

Op mijn moeders verjaardag was ook mijn broertje jarig. En of de duivel ermee speelt, ook hij is heel jong overleden. Hij overleed 4 jaar na mijn moeder op 14 jarige leeftijd ten gevolge van een verkeersongeval. Ik was in het plaatselijke zwembad toen er daarbuiten een hels kabaal klonk, overduidelijk een aanrijding of iets dergelijks. De badmeester rende meteen naar buiten en even later kwam hij terug om zijn EHBO-koffer te halen en om mij op hart te drukken dat ik binnen moest blijven. Hij heeft dat wel een paar keer herhaald, maar ik was sowieso niet van plan om weg te gaan. Waarom zei hij dat dan zo nadrukkelijk? Ik denk dat jullie die boodschap wel begrijpen en ik trouwens ook met de kennis van nu.

Ook van hem kan ik me vrijwel niets herinneren. Wat zou het fijn zijn om van hem ook iets te horen wat hij zich nog kan herinneren van ons. Wellicht gaat er dan bij mij ook weer een belletje rinkelen.
Wat zouden de doden vertellen als ze konden terugkijken op hun bestaan? Een groots verhaal over hun leven? De herinnering aan één moment? Een bepaald gevoel? Een verlangen?

Wat zou ik zelf willen zeggen tegen mijn nabestaanden als ik aan de ‘overkant’ ben? Als ze al iets over mij zouden willen weten dan kunnen ze mijn Vermeijmeringen nalezen. En verder heb ik maar één boodschap: ‘Dum vivimus vivamus’ 

Laten we leven zolang we leven

Wim