Ik zou iedereen adviseren om door te gaan met werken zolang je meerwaarde kunt toekennen aan je werk

Ik zou iedereen adviseren om door te gaan met werken zolang je meerwaarde kunt toekennen aan je werk

Hoewel hij de pensioengerechtigde leeftijd ruim is gepasseerd werkt mondstukdokter Henk Rensink (70) nog zes dagen per week. Hij krijgt regelmatig de vraag wanneer hij gaat stoppen, maar "zijn kindje" loslaten is moeilijk.

In het huis van Henk Rensink (70) in Apeldoorn is het elke dag een komen en gaan van blaasmuzikanten. Als “mondstukdokter” helpt hij muzikanten van over de hele wereld om het perfecte opzetstuk voor hun blaasinstrument te vinden. Want zoals niet alle voetballers dezelfde voetbalschoen passen, zo kan ook niet elke muzikant met hetzelfde mondstuk spelen. Maar dat was in de muziekwereld wel degelijk lange tijd het geval. Muzikanten speelden gewoon op het mondstuk dat standaard bij een blaasinstrument geleverd werd en als het niet lukte om daar goed op te spelen dan moest je beter oefenen aldus menig muziekleraar. Een misvatting als je het Henk vraagt. Bijna 25 jaar geleden begon hij daarom met het adviseren van muzikanten, want met een goed mondstuk kan een muzikant zelfs mooie muziek spelen op een middelmatig instrument. Terwijl een muzikant andersom geen wonderen kan verrichten met een geweldig instrument met een slecht mondstuk.

Kunstrijders met klapschaatsen

“Met een goed mondstuk speel je makkelijker en sneller”, legt Henk het belang van zijn werk uit. “Dan komt doordat het inspanningsniveau veel lager ligt. Met een passend mondstuk hoef je minder moeite te doen om een toon te ontwikkelen, een mooie klank te maken of om het spelen vol te houden. In de sportwereld begrijpen ze dat principe al heel erg goed. Je ziet dat ze daar snappen dat je materiaal heel belangrijk is om goed te presteren. Een schaatser moet niet alleen trainen, maar heeft ook goede schaatsen die passen en een aerodynamisch pak. In de sportwereld wordt het materiaal dus van belang gezien om goed te kunnen presteren. Daar zie je dat het niet alleen om trainen gaat, maar ook om de manier waarop je traint. Dat is ook van toepassing op het spelen van een blaasinstrument, maar in de muziekwereld vooral nog wordt gedacht dat je veel moet studeren en het materiaal ondergeschikt is.” Daardoor zijn sommige muzikanten zoals kunstrijders op klapschaatsen.

Dat inzicht resulteerde begin jaren negentig in zijn eigen bedrijf als mondstukdokter. Inmiddels staat zijn spreekkamer vol met koffers met mondstukken. Tientallen koffers met daarin mondstukken in verschillende vormen, van verschillende materialen, met verschillende wandikteverdelingen en boringen voor alle denkbare blaasinstrumenten. Net zoals een arts doet Henk (eventueel aan de hand van klachten) onderzoek en geeft vervolgens advies. Iedereen die een bezoek aan dokter Henk brengt gaat naar buiten met een “recept” waarop staat welk mondstuk geschikt zou zijn voor het optimale speelresultaat. Een recept benadrukt Henk. Zelf mondstukken verkopen doet hij niet. De koffers met mondstukken staan alleen in zijn spreekkamer om een advies ook te testen. Op die manier wil hij zijn objectiviteit als dokter bewaren. Muzikanten moeten namelijk niet denken dat hij een belang heeft bij het aanprijzen van mondstuk a ten opzichte van mondstuk b. In het eerste jaar van zijn bedrijf stonden er meteen twaalfhonderd muzikanten op de stoep in Apeldoorn en nog steeds wordt de deur bij hem platgelopen. “Er zijn al mensen uit 23 landen bij mij gekomen. Dat varieert van Finland tot Nieuw-Zeeland, van New York tot Sint Petersburg en alles daartussen. Van straatmuzikant tot brigade commandant en van hoogleraar tot hovenier. Muziek wordt namelijk in alle lagen van de bevolking gemaakt. Over het algemeen hebben mensen na een consult zoiets van “wauw! Ik had nooit verwacht dat dit zoveel uitmaakt”. Er zijn ook mensen uit de beroepswereld die zeggen: “dat ik na dertig jaar nog moet ontdekken dat het zoveel makkelijker en beter kan.”

“Werk is voeding voor mijn bestaan”

Ondanks zijn zeventig jaar, werkt Henk nog zes dagen in de week acht uur per dag. “Als je zoals ik zeventig ben dan krijg je op den duur te maken met een omgeving die gaat vragen: “wanneer ga je stoppen met werken?”. Ik zie het niet zitten om tot mijn 83ste door te gaan”, zegt Henk verwijzend naar een collega-zelfstandige die op die leeftijd door zijn kinderen werd gedwongen de deur van zijn praktijk dicht te doen. “Maar ik ben er nog niet helemaal uit hoe ik mijn werk moet afbouwen. Het is voor mij heel moeilijk om tegen een beroepsmuzikant die belt en nu geholpen moet worden te zeggen: “je bent over twee maanden aan de beurt, want mijn planning is inmiddels zo dat ik niet meer dagelijks werk”. Daarnaast krijg ik van zelfstandigen die gestopt zijn met werken vaak te horen: “ik mis elke dag het contact met mensen”. Zij ervaren het als heel erg vervelend dat ze opeens niet meer bij zijn in hun vakgebied, dat ze de nieuwtjes niet meer horen en geen kennis meer nemen van ontwikkelingen. Die mensen komen droog te vallen en ervaren dat als heel vervelend. Ook voor mij is dit werk heel boeiend, omdat ik elke dag in contact ben met mensen van allemaal verschillende achtergronden met schitterende beroepen. Die uitwisseling die je hebt met mensen, de waardering die je krijgt en het enthousiasme geven zoveel voldoening. Het is als ware voeding voor mijn bestaan, net zoals eten, drinken en slapen. Dat is natuurlijk niet een stimulans om te zeggen: “ik moet ook maar gauw stoppen met werken”.”

“Ik vind het daarnaast ook belangrijk om bezig te blijven”, vervolgt Henk. “Als je op de bank achter de geraniums gaat zitten dan verpieter je. Ik heb zelf om mij heen gezien hoe snel zo’n proces kan verlopen. Hoe snel mensen apathisch worden. Dat is geen proces van jaren. Niet eens van maanden, maar van weken. Dat heeft niets met het pensioen te maken, maar met het feit dat je dagelijks afleiding en invulling van je tijd nodig hebt, anders stomp je af. Als je je jouw grijze cellen niet genoeg blijft uitdagen dan doen ze het op een gegeven niet meer. Net zoals er kramp in een spier schiet als je niet genoeg traint. Dus ik wil zo lang mogelijk actief blijven. Ik zou iedereen adviseren om door te gaan met werken zolang je nog meerwaarde kunt toekennen aan je werk. Desnoods op een lager pitje, maar gewoon zodat je nog invulling van je tijd hebt.”

Niet stoppen, wel minder hollen

Ook Henk heeft zijn werktempo aangepast. “Als ik voorheen voor mijn werk buiten de deur aan de slag moest, dan reden mijn vrouw en ik daarna altijd weer naar huis. Dan zei ik weleens tegen mijn vrouw: “eigenlijk zijn wij gek! We hebben heel hard gewerkt en we rijden meteen weer naar huis. Waarom blijven we niet nog een paar dagen hangen?”. Dat doen we nu wel. Als ik in het buitenland moet werken, dan knopen we er een aantal dagen of een week aan vast. Dan zeggen we: “wij hebben de hele reis toch al gemaakt, dus laten we dan ook genieten van de omgeving hier”. Dat ik dat nu wel doe en vroeger niet heeft denk ik te maken met mijn leeftijd. Dat je je op een gegeven moment realiseert dat er nog andere dingen zijn dan alleen maar voort hollen. Dat je niet rechtstreeks van a naar b hoeft te gaan, maar dat er ook een heleboel op de zijpaden te ontdekken valt. Maar mijn werk blijft te boeiend om nu serieus na te denken over het beëindigen van mijn actieve loopbaan.”

Het werk van Henk als mondstukdokter is eigenlijk een uit de hand gelopen hobby. In de jaren zeventig gaf hij naast zijn werk als werktouwbouwkundige ook muziekles en was hij dirigent van zowel kinderen als volwassenen. Toen hij naar aanleiding daarvan meer informatie wilde over mondstukken, ontdekte hij dat er wel boekjes over blaasinstrumenten waren, maar dat de uitleg over het algemeen niet veel verder ging dan “het mondstuk is het deel van het instrument waarop de muzikant blaast”. “Toen dacht ik: als er niet meer informatie is, dan moet ik dat zelf maar onderzoeken”, vertelt Henk. Het resulteerde in een onderzoek naar de geschiedenis van het mondstuk. Gevolgd door een onderzoek naar hoe mensen hun mondstuk kiezen. “Ik zag tot mijn stomme verbazing dat mensen een instrument kochten waar al een mondstuk bij zat. Zoals een bel bij een fiets. Hetzelfde zag ik als mensen op amateurniveau bij een muziekvereniging gingen spelen. Dan kregen ze vaak het muziekinstrument van hun voorganger met het mondstuk van de voorganger. En in de beroepswereld zag ik dat mensen naar elkaar keken. Als de muzikant die het hoogste in de pikorde stond een bepaald mondstuk had, dan zou dat wel goed zijn. Dat suggereert dat een mondstuk iets standaards is, maar dat vloekt met de menselijke diversiteit. Al met al reden om te denken dat het beter moest kunnen. Ik ben toen gaan nadenken over hoe je een methode kan ontwikkelen waarmee je op een objectieve manier kan bepalen wat een geschikt mondstuk voor iemand is.”